GOTISCHE FRAGMENTATIE
Wat is nou Granulatie van Maatschappelijke Verschijnselen? En word je daarvoor op het spoor gezet door Gothische Fragmentatie?
Vensters van gothische kerken hebben die typische granaatvorm: van onderaf rechthoekig en bovenaan komen de zijkanten samen in twee aparte bogen waar ze samen een punt vormen van net iets méér dan 90 graden.
In het raam op de foto hieronder, van de Onze Lieve Vrouwekerk te Leiden, denken we de dwarslatten weg. Dan hebben we drie opgaande lijnen, die elk meebuigen met de ronding van de twee zijkanten en aldus elkaar snijden of kruisen. Die opgaande lijnen splitsen elk in tweeën en maken daardoor zes kruisingen, Binnen de twee zijkanten en de onderkant worden in totaal tien kleinere vensters gevormd. Bij vier opgaande lijnen vormen zich 15 kleine vensters, bij vijf opgaande lijnen 21.
Er is een meetbare regelmaat in deze getallen te vinden. Die wordt nog uitgewerkt, want hij is wel leuk.
Binaire wereld
Zodra je tegenover een gesprekspartner laat ontsnappen, dat het vroeger allemaal beter was, word je bestempeld tot boomer, ouwe zak of seniele dwaas. De ander heeft geen enkele impuls om na te gaan of je misschien gelijk hebt, want met de genoteerde toevoegingen aan jouw adres is het klaar.
Het zou maar zó kunnen dat je werkelijk gelijk hebt. De slag bij Gergovia is weliswaar al lang voorbij, heksenjachten zijn er niet meer en de Tweede Wereldoorlog eindigde 81 jaar geleden officieel.
Ben je geboren tussen grofweg 1941 en 1955, dan behoor je tot de babyboomers, kortweg boomers. Grofweg, dat wil zeggen dat wanneer je de jongste bent in een gezin van meer kinderen en geboren in 1956, je daar nog wél toe behoort.
Als boomer heb je eigenlijk het mooiste deel van de wereldgeschiedenis te pakken, zeker wanneer je opgroeit in het vrije westen. De hele periode ná de Tweede Wereldoorlog was voor kinderen van wederopbouwers een gouden tijd, gesteld dat je ouders mee konden delen in de euforie. Wie een vader met oorlogstrauma’s had, kon rekenen op niet altijd even vrolijke tijden. Toch bewoog de wereld zich in een goede richting en schiep één uitvloeisel van de oorlog een stuk duidelijkheid: Het IJzeren Gordijn was de heldere, niet mis te verstane markering van ‘zij dáár, wij hier’. En alles van ‘hier’ was oké en alles van ‘dáár’ was fout.
De babyboomers werden volwassen in de jaren 60 en 70 en namen de gedeeltelijk heropgebouwde wereld van hun ouders over. Niet alleen erfden zij de verantwoordelijkheden maar ook de heropgebouwde welstand. Qua verantwoordelijkheden was het een voortzetting en uitbreiding van de tijdens de wederopbouw verworven macht en welstand, dikwijls ten koste van werknemers en natuurlijke hulpbronnen. Wie beweert dat de boomers verantwoordelijk zijn voor de uitputting van de planeet, heeft deels gelijk. Ook de generaties daarvoor, die van hun ouders en grootouders zijn medeverantwoordelijk. Degenen die de oorlog hebben aangesticht (Hitler, Mussolini, Hirohito) en vanuit verschillende kanten de leiding hadden (leiders van de geallieerden), zijn vaak nog geboren in (het vierde kwart van) de 19e eeuw. Degenen die in die oorlog hebben moeten vechten of oorlogsmaterieel hebben moeten fabriceren, behoren tot de zgn. ‘vooroorlogse generatie’ (1910-1930). Allen bij elkaar hebben enorme hoeveelheden grondstoffen aan de aarde onttrokken om de oorlog te voeren en om daarna een gigantisch stelsel van militaire afschrikking en invloed op te bouwen. Toch was in de jaren 50 nog niemand zich bewust van de limieten aan deze groei.
Kwadratische wereld
Tegenover het binaire idee van ‘zij daar, wij hier’ ontstond gaandeweg het besef – ‘en die anderen dan?’ We – de westerse mogendheden – hadden tegelijk de oorlog gewonnen én koloniën verloren. En wie zijn die mensen in die koloniën dan? Ruwweg alle landen van Afrika, Zuid- en Oost-Azië en Zuid-Amerika waren ooit koloniën. Alle inwoners van die voormalige koloniën waren ruwweg arme bruine mensen, voor wie we doppen van melkflessen spaarden en die in de ogen van katholieke hoeders en opvoeders zéker de benevolentie van het christendom nodig hadden.
Als jonge jongen ben ik in de jaren 60 opgegroeid als lid van de rooms-katholieke kerk. Ik woonde in Zuid-Limburg en kan het gebeier van de kerkklokken op zondagochtend, om ons naar de Heilige Mis te lokken, in mijn hoofd nog altijd naspelen. Ik moet heel eerlijk zijn: op mijn 7e deed ik de eerste communie maar had toen al wat twijfels, omdat het gedrag van meesters en juffen in samenwerking met kapelaans en pastoors, helemaal niet strookte met de ongedwongen opgewektheid rondom Jezus, als die met zijn discipelen het woord van God verkondigde. Verder heb ik mijn jeugd en een deel van mijn tienertijd in religieus opzicht in opperste blijmoedigheid beleefd. Mijn communie, het feest eromheen en de vrolijke lente waarin dat plaatsvond, alles was volkomen idyllisch en zorgeloos.
Mijn vader had wat moeite met de katholieke kerk. Wat er precies was gebeurd, zullen we nooit meer te weten komen. Vader was Nederlands Hervormd gedoopt en wilde voor de opvoeding van de kinderen Rooms-Katholiek worden. Zijn lezing van het gebeurde was als volgt: Na volledige catechisatie en verschillende testen (toetsen, examens?) kreeg mijn vader van de toenmalige bisschop van Roermond het eindoordeel dat men hem het predicaat ‘Katholiek’ niet wenste te verlenen en dat de redenen daarvoor niet werden opgegeven. Hoe wáár of onwaar dit alles ook is, ik diende mij te conformeren aan het katholicisme, hoewel ik liever de strijd had aangebonden met het kennelijke onrecht dat mijn vader niet katholiek mocht worden. Inwendig was dit voor mij een tweestrijd.
Vanaf mijn twaalfde was de wekelijkse kerkgang voor mijn moeder een kwelling, aangezien haar astma en longemfyseem steeds uitputtender voor haar werd. Mijn vader ging al jaren niet meer naar de kerk. Wij – kinderen – werden ontslagen van de verplichting om wekelijks naar de kerk te gaan.
Ik heb nog een tijd volgehouden om op zondag met vrienden naar de kerk te gaan. Ook toen ik vanaf mijn 17e een vriendin had, bezocht ik vaak met haar de Heilige Mis. Maar de twijfel sloeg des te harder toe, als ik bepaalde parochianen met de kennelijke bedoeling opzichtig aanwezig te zijn, op het nippertje vóór aanvang van de mis, wanneer de kerk al vol was, nog zag binnenkomen en pontificaal naar de gereserveerde kerkbankjes vóóraan zag schrijden.
In een god geloofde ik al niet meer. Wel zag ik nog nut in het maatschappelijke karakter van een geloofsgemeenschap. Ik kwam leeftijdgenoten van een brede waaier aan Nederlandse christelijke gezindten tegen in mijn militaire diensttijd. Onderling respect regelde dat de grootste gemene deler, het christendom, de detailverschillen onder tafel veegde. Het was op een haast liberale manier de gewoonte, met elkaar in een Katholiek of Protestants Militair Tehuis (soort huiskamer bij, maar net buiten, de kazerne) binnen te stappen. Overal was een pooltafel, overal waren gevulde koeken en was er koffie.
Dat maatschappelijke nut bleef ik erkennen, toen ik op mijn 26e ging trouwen. Ik stapte in een hervormd huwelijksbootje. Ik maakte kennis met de protestantse kant van het christendom. Sindsdien weet ik het zeker: Katholieke kerkklokken klinken kleurrijker. Hou deze alliteratie erin. Het gros van de protestantse klokken klinkt saai, grauw, belerend en patriarchaal. In de literatuur wordt dat geluid niet voor niets afgedaan met ‘kleppen’. Mijn drie kinderen zijn Nederlands Hervormd gedoopt, maar vanaf ongeveer 1996 hebben we als gezin helemaal niets meer aan het geloof gedaan.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten